Opnieuw beginnen – Een paasverhaal

Of lees het paasverhaal uit de evangeliën hier

Josje stuift de trap op.
Haar kamer. Deur. Naar binnen.
Deur op slot.
Ze wil hard schreeuwen.

Iets stuk gooien.

Waarom deed papa dat?
Hij heeft haar nog nooit geslagen.

Nu wel.

Oké.
Hij was overspannen.
Dat is over.
Hij was boos.
Zij ook.

Soms zijn ze boos. Niet supervaak.

Ze  kwam ook te laat thuis.

Te lang bij Lisa blijven hangen.
Vergeten dat ze vroeg moest eten.

Papa naar voetballen ging.
Dat vindt hij belangrijk.

Maar slaan?
Josje voelt haar wang.

Hij gloeit nog steeds.
Ze balt haar vuist.

Is papa gek geworden?
Niemand mag haar slaan. Niemand!
Ook papa niet.
Voorál papa niet.

Haar papa, die haar altijd zo laat lachen.
Net als zij een kruintje op zijn hoofd heeft.
Ook geen roze koeken lust.
Geen witlof, drop of boerenkool.
Te toevallig zijn mama en Pieter dol op roze koeken,
witlof, drop en boerenkool.

Papa die haar ’s avonds altijd instopt en dan voorleest.
Ze weet dat ze al elf is. Dan lees je meestal zelf.
Maar papa’s lezen is gewoon gezellig.
Ze zijn er dol op, allebei.

Nu zit ze hier. De deur op slot.
Het is maar goed dat papa weg gaat straks.
Ze moet naar de wc.

Had ze sorry moeten zeggen?

Ze was te vrolijk voor een sorry.
Papa, mama, Pieter:
ze waren bijna klaar met eten toen ze binnen kwam.
Mama keek heel ongerust. En opgelucht tegelijk.
Pieter in de war.
Papa zag eruit als een geïrriteerde grizzly.
Toen hij opstond,
heel hard vroeg: ‘waar kom jij vandaan?’,
Josje blij zei: ‘Lisa. Die had jonge katjes’,
voer hij woedend uit: ‘jij zou half zes thuis zijn.
En je telefoon lag hier’.
‘Ik was het echt vergeten.
En ook mijn telefoon’ zei Josje, nog steeds blij.
Een beetje minder blij, dat wel.
‘Maar ik heb heel erg honger.’

Toen haalde papa uit.
Keihard.

Josje ziet opnieuw hoe ze hem aankeek.
Sprakeloos. Verbouwereerd.
Of hij opeens van glas was.
Of de klap niet echt was.
Ze denkt aan mama. Hoe die overeind kwam,
half haar arm uitstak, iets wilde zeggen.
Pieter in elkaar dook.

Meteen voelt ze hoe echt de klap wel was.
Hoeveel pijn hij deed. En nog.
Haar ogen lopen leeg.
Dat wil ze niet.
Ze bonkt haar vuist tegen de muur.
Lekker zeer.

Weg die tranen.
Papa kan de pot op.
Haar slaan, alleen maar omdat zij te laat was?
Hij naar voetbal moet? Belangrijk zeg.
Wat mankeert hem toch?
Hij is al weken best vervelend.

Vaak onaardig.
‘Net of papa er niet is.
Of hij dood is’ denkt ze.

De voordeur klapt.
Vlug naar de wc.
Haar plas plonst als een regenbui eruit.
De deur gaat open. Mama.
Ze kijkt verdrietig.
Josje springt op, met haar onderbroek nog halverwege.
Snikt: ‘ik haat hem. Waarom deed hij dat?’

‘Hij vindt het net zo erg als jij’ zegt mama.
‘Hij staat de laatste tijd erg onder druk.
Hij heeft verschrikkelijke spijt’.
Dat wil Josje graag geloven,

maar ze doet het niet.
Ze voelt zich boos. En raar.

Ze wil haar tanden in iets zetten. In iets bijten.
‘Ik wil hem nooit meer zien’ zegt ze kwaad tegen mama.
‘Misschien doet hij het wel weer. Dat wil ik niet.’
Mama houdt haar vast.
Praat tegen Josjes rug: ‘papa is nog steeds te moe’ zegt ze.
‘Te moe en te gestrest. Dan doe je rare dingen.
Vooral tegen de mensen die je lief vindt.’

Josje tilt haar hoofd op:
‘heeft hij jou soms ook geslagen?’ vraagt ze.
‘Nee,’ knikt mama, ‘maar echt aardig is hij niet de laatste tijd.
Ik vind hem tamelijk vervelend.’

‘Waarom zeg je dat dan niet?’ vraagt Josje slim.
‘Jullie zeggen altijd dat je goed je grenzen aan moet geven.’
Mama zucht.
‘Dat klopt. Dat doe ik ook. Maar ik hou van hem en laat hem nu niet in de steek. Dat hoort er ook bij.
Kom, mee naar beneden. Wat eten en op tijd naar bed.’
Samen zitten ze aan tafel.
Pieter maakt zijn huiswerk.
Josje eet. Opeens heeft ze geen honger meer.

Als ze wakker wordt, ligt er een kilo stenen in haar buik.
O ja. Papa.
Haar armen zijn van touw, haar benen van vanillevla.
‘Josje, ben je wakker?’,
mama kust haar kruintje, ‘kom, we gaan ontbijten.’
‘Waar is papa?’ mompelt Josje.
‘Hij is vannacht niet thuisgekomen. Geen idee waar hij nu is.’
Josje schrikt.

Niet thuisgekomen? Het regent keihard buiten.
Ze kijkt naar mama. Die heeft rode ogen.
‘Ik heb zijn voetbalteam gebeld. Hij was niet op de training, zeggen ze.’
Dat is gek. Papa slaat nooit over met de training. Nooit.
‘We moeten de politie bellen’ zegt ze. ‘Misschien heeft hij een ongeluk gehad’.
‘Dat doe ik straks’ zegt mama. ‘Eerst moet jij naar school.’

Josje weet niet of ze dat wel wil.
Maar het moet toch.

 

Op weg naar school, Pieter was al weg, denkt ze aan gisteravond.
‘Ik wil hem nooit meer zien dat meende ik niet echt hoor’ zegt ze hardop tegen niemand.
‘Stel je voor dat papa dood is’, denkt ze.
‘In de gracht gekukeld. Hij zal niet de eerste zijn.’

Bijna moet ze alweer huilen.
Nee! Niet doen.
Ze bijt hard op haar tong. Ze is liever kwaad.

Er komen jongens aan.
Drie naast elkaar. Ze lopen breed en kijken steeds naar haar.
Josje balt haar handen. Ze heeft tijgerklauwen.
Dolkentanden.
‘Kom maar op’ denkt ze. ‘Ik ga niet aan de kant.’
Ze zet haar schouders uit. Ze maakt zich groot.
De jongens komen dichterbij.

Josje blaast lucht in haar borstkas, armen, benen, vuisten.

Pas als ze vlakbij zijn, minder dan een halve meter, schuift de linker jongen iets opzij.
Ze lachen, alle drie.
Josje loopt rechtdoor, haar neus hoog in de lucht.
Maar op school voelt ze zich moe, de hele dag.
Meester Ton vraagt wat er is: ‘je hoort niks Josje, ben je ziek?’
Wat moet ze zeggen? Dat haar buik vol vuilnis zit?
Een tijgerwelpje zich verstopt achter haar ogen?
‘Nee hoor’ zegt ze.

Thuis scrolt ze langs vlogs en filmpjes. Echt geen zin in huiswerk nu.
Waar is papa?

Mama komt vroeg thuis.
Josje ziet meteen dat papa nog niet terug is.
‘Wat zegt de politie?’ vraagt ze.

‘Hebben niks gehoord’ zegt mama.

Opeens zit er een scheur in Josje’s tijgervel.
‘Is papa dood?’ vraagt ze benauwd.
‘Ach nee’ zegt mama, ‘misschien ligt hij in het ziekenhuis.
Weet niemand wie hij is.’
Josje kruipt op mama’s schoot. Ze snikt.
Mama huilt ook. En als Pieter thuis  van school komt, huilt hij ook.

Ze kunnen niet meer stoppen.
Waar is papa?

Plotsklaps staat hij in de kamer.
Nat, verfrommeld, rode ogen.
Net een walrus met die plooien in zijn wangen.
Trui gescheurd, zijn broek is vies, zijn ene oog is blauw.
Heeft ‘ie nou gevochten?

Mama springt omhoog.
‘Doe dit nog één keer en ik ga scheiden!’ roept ze woedend.

‘Waar WAS jij? Ik heb je duizend keer gebeld.’

Papa kijkt haar aan,
loopt naar hen toe
en slaat zijn armen om hen heen.
Alle drie tegelijk.
‘Het spijt me’ zegt hij.
Verder niks.

Josje zegt: ‘we dachten dat je dood was.’
Papa knijpt haar bijna fijn.

‘Zo voelde ik me ook’ zegt hij.
Maar nu niet meer.’

Tegen mama zegt hij:
‘We hoeven niet te scheiden. Maar je hebt gelijk, ik ga in therapie.
Ik ben al maandenlang niet te genieten.’
Er vallen tranen op de grond.
‘Van wie zouden die zijn?’ denkt Josje.

Dan zegt papa: ‘Josje. Ik zal je nooit meer slaan.
Ik wou dat ik het niet gedaan had en ik heb verschrikkelijke spijt.
Erewoord dat ik het nooit meer doe.’
Josje kijkt strak naar beneden.
‘Josje, praat tegen me. Wat vind jij er van?’
Papa is gaan zitten, pakt haar hand.
Josje barst uit: ‘jij! Je hebt me bang gemaakt.
Dat wil ik niet.
Dat mag toch niet, dat jij me bang maakt?
Dat hoort niet zo.’
‘Je hebt gelijk’ zegt papa. ‘Fouten maken mag, maar niet een fout als dit. Die drift van mij, daar ga ik wat aan doen.

Josje voelt zijn zweterige hand.
‘Papa was ook bang’ denkt ze verbaasd.

‘Dat je boos op mij bent is juist goed’ zegt papa.

‘Je laat me zien wat ik verkeerd doe.
Meestal is het andersom he?’
Josje grinnikt, ook al is ze nog een beetje boos.
Zo kent ze papa weer.
En dat hij soms een driftkop is, dat wist ze wel.
Is ze zelf ook.

‘Slaan vind ik echt stom’ zegt ze.
‘Ik had vandaag ook zin om iemand in elkaar te slaan’.

‘Echt? Vertel’ zegt papa.

Opeens moet Josje huilen, verschrikkelijk hard huilen.
Papa ook.
En mama. Pieter
Ze huilen samen.

‘Ik was zo bang dat je dood was.
Maar nu leef je weer’ snikt Josje.
Dan stompt ze papa in zijn maag.
Keihard.
‘Die had je nog tegoed’.

Ze lachen,
samen.

Diet Groothuis